Stichting Waardig Levenseinde Foundation Dignified Dying De Heliummethode

Boudewijn Chabot blikt terug op Uitweg en de meldingen

Uitweg had een vliegende start in februari 2010 met aandacht ïn veel media, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Toppers waren de bespreking als Boek van de Week in de NRC door Beatrijs Ritsema en het grote interview in Elsevier door Hugo Camps.

Op het Landelijke Congres Palliatieve Zorg was ik uitgenodigd als keynote speaker over bewust versterven. Een groep artsen die de kaderopleiding palliatieve zorg volgden, gaf ik erover les.

De artsenorganisatie KNMG kwam dec 2010 met het concept van een nieuwe beleidsnota, waarin stoppen met eten en drinken expliciet op de agenda werd gezet en terloops ook op andere mogelijkheden voor een humane dood in eigen regie wordt gewezen.

Onze website over Uitweg kwam wat moeizaam van de grond en de meldingen hadden last van ‘kinderziekten’. In 2011 moet dit beter worden. Over de laatste 9 maanden in 2010 zijn 20 meldingen ontvangen: 13 over zelfeuthanasie met medicijnen en 7 over bewust versterven. Van die 7 staan er 2 (die beide positief zijn verlopen) nog niet op de site omdat ik wacht op de toestemming van de familie.

De verhouding van 13 meldingen over de medicijnmethode tegen 7 over stoppen met eten en drinken verbaast, omdat bewust versterven volgens mijn proefschrift zeker twee keer vaker voorkomt dan overlijden door de medicijnmethode. Een mogelijke verklaring is misschien dat bij de medicijnmethode vaker een consulent van De Einder is betrokken die gemotiveerd is om het meldingsformulier zelf in te vullen of om de familie te vragen dat te doen. Bij bewust versterven is een arts met verpleegkundigen of verzorgenden betrokken maar zij melden nog zelden.

Opvallend is dat de NVVE-medewerkers van de LedenOndersteuningsDienst (LOD) nog geen enkele melding hebben ingezonden naar de onderzoeker Martijn Hagens die de anonieme meldingen ontvangt. Het zou waardevol zijn wanneer de nabestaanden van NVVE-leden die hun levenseinde in eigen hand hebben genomen, ook meldingen zouden inzenden (zie de meldingsbrief achterin Uitweg p. 253 en 263).

Twee van de zeven gevallen van bewust versterven zijn negatief verlopen (sted 3 en sted 5, deze laatste is overgenomen uit Relevant, (het blad van de NVVE). Bij elk wordt aangegeven waar dat aan lag en hoe dit voorkomen had kunnen worden.

Drie van de dertien personen die de medicijnmethode gebruikten zijn niet overleden (med 5, med 8 en med 12). Ook daarbij is, met hulp van de apotheker en toxicoloog die ons adviseren, zo nauwkeurig mogelijk nagegaan waaraan dat heeft gelegen. Van de drie mislukkingen met medicijnen hadden 2 hydroxychloroquine gebruikt en de derde chloroquinesulfaat. Toch menen beide deskundigen dat deze chloroquineverbindingen in de aanbevolen dosering vrijwel altijd dodelijk zijn, mits er voldoende van het middel in het bloed terecht komt. Daaraan heeft het bij twee van de drie geschort als gevolg van diarree en/of braken. Bij de derde is dat niet bekend omdat er niemand aanwezig was die hierover kan berichten. Ook in Uitweg, (p.148) wordt beschreven dat diarree optrad na het innemen van hydroxychloroquine. Deze man is wel overleden dankzij de huisarts, die hem lange tijd in slaap heeft gehouden met injecties valium of morfine.

Tegen de diarree adviseren wij op grond van deze meldingen gedurende 12 uur tevoren drie keer Loperamide 4 mg te gebruiken. Of dat afdoende is, kan uitsluitend de praktijk uitwijzen. Zonder nieuwe meldingen komen we nergens.

 

Tot slot twee belangrijke opmerkingen.

Eén: de adviezen in Uitweg zijn gebaseerd op de ruim 200 meldingen die ik heb verzameld in de loop van mijn promotieonderzoek. Ruim 100 meldingen zijn afkomstig van de NVVE uit de tijd dat de psycholoog Martine Cornelisse aan het hoofd stond van de LOD (zie Uitweg p. 228). Ruim 50 meldingen met chloroquinefosfaat zijn ontvangen van een Duitse arts (Uitweg p. 147) die geen enkele mislukking rapporteerde. Meer dan 25 meldingen zijn afkomstig van consulenten van De Einder. Het dodelijke effect van fentanylpleisters is op grote schaal gedocumenteerd in de USA (± honderd gevallen per jaar, Uitweg p. 142). Wat de NVVE op haar website over mislukkingen met morfinepleisters zegt, berust op gegevens die helaas niet voor een onafhankelijke onderzoeker toegankelijk zijn. De omstandigheden waaronder de elfdoding mislukte (te lage dosis, wel of geen ontwenning, enzovoort) moeten namelijk precies beschreven worden. Zolang dat niet gebeurt, legt een incidentele mislukking met pleisters geen gewicht in de schaal. Net zo min als in de beginjaren van euthanasie een incidentel mislukking met een barbituraat gewicht in de schaal legde.

Twee: de kritiek op de medicijnmethode meet met twee maten. Men zegt bijvoorbeeld dat euthanasie bij dokters altijd lukt terwijl zelfeuthanasie nog (te) vaak mislukt. Dat is een oneerlijke vergelijking omdat in de eerste 20 jaar van euthanasie (circa 1970-1990) mislukkingen niet zeldzaam waren (zie het onderzoek door Groeneveld et al). Oók nog nadat de methode van Pieter Admiraal onder dokters voet aan de grond kreeg. Pas ongeveer sinds 15 tot 20 jaar leidt euthanasie vrijwel altijd tot de dood .

De huidige praktijk van zelfeuthanasie moet dan ook eerder worden vergeleken met de beginjaren van euthanasie en niet het slaagpercentage van euthanasie vandaag de dag. Zoals de uitvoering van euthanasie is verbeterd, zo kan ook de uitvoering van zelfeuthanasie verbeteren. Maar dat lukt pas als er meer meldingen binnenkomen en als er meer deskundigen (toxicologen en apothekers) in onderlinge discussie de probleemgevallen analyseren en verbeteringen voorstellen. Martijn Hagens hoopt dan ook in 2011 meer meldingen te ontvangen en ik hoop een ruimere kring deskundigen te kunnen raadplegen.

 

Boudewijn Chabot januari 2011